Lectoraat Narratieve Professionele Identiteit

KPZ heeft momenteel één lectoraat, namelijk Narratieve Professionele Identiteit.
Een lectoraat is een onderzoeksgroep aan een hogeschool die op een maatschappelijk relevant terrein de verbinding legt tussen onderzoek en de praktijk van het onderwijs. Het lectoraat wordt geleid door een lector die van de voorzitter van het College van Bestuur van de hogeschool een leeropdracht heeft gekregen. Aan het lectoraat is een kenniskring verbonden die gezamenlijk onderzoek doet. De kenniskring bestaat uit docent-onderzoekers, studenten, deskundigen op het gebied van de leeropdracht en vertegenwoordigers uit het werkveld.

Thema lectoraat

Het nieuwe lectoraat Narratieve Professionele Identiteit kan gezien worden als een doorontwikkeling van het lectoraat Reflectie en Retorica met dr. Ietje Pauw als lector. In de laatste tien jaar is het accent in het lectoraat meer en meer komen te liggen op de opbrengst van reflectie voor de (aanstaande) leraar, namelijk de versterking van zijn professionele identiteit. De ontwikkeling van die professionele identiteit en de wijze waarop die ontwikkeling zichtbaar wordt in verhalen, biedt nieuwe perspectieven voor onderzoek. Het lectoraat Narratieve Professionele Identiteit doet tevens recht aan het bijzonder kenmerk ‘de ontwikkeling van de narratieve professionele identiteit’. Bij het lectoraat Narratieve Professionele Identiteit zijn de omschrijvingen van identiteit, professionele identiteit en narratieve professionele identiteit van belang. De begrippen worden als volgt omschreven:

  • identiteit: de indruk die iemand wekt, gebaseerd op uiterlijke kenmerken, houding, gedrag, opvattingen, kennis, vaardigheden, taalgebruik waardoor iemand voor een ander herkenbaar is.
  • professionele identiteit: een bijzondere vorm van identiteit is de professionele identiteit, de identiteit als professional binnen het domein Kind en Educatie. Daarin spelen heel veel zaken die bij de persoonlijkheid horen, een grote rol. Uiteindelijk is het dat geheel aan opvattingen, kennis, gedragingen en vaardigheden waardoor een (aanstaande) professional voor een ander herkenbaar is als een bekwame professional, bijvoorbeeld een bekwame basisschoolleraar of een bekwame schoolleider.
  • narratieve professionele identiteit: de ontwikkeling van die professionele identiteit wordt vooral zichtbaar in de eigen verhalen van gebeurtenissen op de werkplek waar de student stageloopt. Daarom spreken we van ‘narratieve professionele identiteit’. Samengevat wordt onder narratieve professionele identiteit verstaan: de professionele identiteit zoals die tot uitdrukking komt in (geschreven) verhalen over een gebeurtenis op de werkplek waarbij de schrijver zelf betrokken is.

 

Deze begrippen zijn grondig uitgewerkt in het boek Een leraar als geen ander. De ontwikkeling van professionele identiteit in verhalen (Pauw et al, 2017). Het accent ligt in het boek op de professionele identiteit van de leraar als een van de beroepen die binnen het domein pedagogisch professional Kind en Educatie past. Het ligt voor de hand dat dit boek dan ook als leidraad wordt gebruikt voor onderzoeksthema’s of -domeinen van het nieuwe lectoraat.

Dit boek is mede gebaseerd op publicaties binnen het vorige lectoraat Reflectie en Retorica, zoals diverse herziene edities van Even Prakkezer’n. Handleiding voor narratieve reflectie. (2010, 2013, 2014, 2015) en de in 2016 verschenen wetenschappelijke publicatie (Pauw, Jongstra, & Van Lint, 2016). Daarnaast heeft Pillen (2013) onderzoek gedaan naar de spanningen in de professionele identiteit van beginnende leraren.

Het is de taak van de lector om een relevant en breed (inter)nationaal netwerk op te zetten rondom de onderzoeksopdracht. De lector zal met name in de mastersopleidingen participeren en aanverwante onderzoeken van studenten begeleiden.

Daarnaast zal de lector de onderzoeksresultaten zowel in de opleidingen als in het werkveld dissemineren.

Onderzoeksvraag

De centrale onderzoeksvraag is: op welke wijze kan de ontwikkeling van de professionele identiteit middels verhalen gestimuleerd worden, zowel tijdens de opleiding als in het werkveld van de professional Kind en Educatie?

Deelvragen daarbij zijn:

  • hoe ontwikkelt de professionele identiteit zich? Zijn er bepaalde fasen in die ontwikkeling aan te wijzen?
  • welke rol spelen frames (beroepsbeelden), scripts (rolbeschrijvingen bij beroepsbeelden) en professionele taal in deze ontwikkeling?
  • welke rol spelen geschreven en gesproken verhalen in de ontwikkeling van de professionele identiteit?
  • wat zijn stimulerende en remmende factoren in de ontwikkeling van de professionele identiteit?

 

Dit betekent:

  • onderzoek doen naar de ontwikkeling van de professionele identiteit door verhalen en naar de fasering ervan;
  • onderzoek naar de rol van belezenheid bij de ontwikkeling van de professionele identiteit;
  • verdieping van de begrippen identiteit, professioneel, professionele identiteit, narratief, narratieve identiteit en narratieve professionele identiteit afzonderlijk en in samenhang, door kritische literatuurstudie en door in dialoog te gaan met onderzoekers op dezelfde of verwante gebieden (narratology, educational linguistics);
  • achterhalen welke factoren stimulerend, dan wel remmend zijn;
  • toetsing van de bevindingen aan de opleidings- en beroepspraktijk en op grond daarvan eventueel bijstellen.

 

Het onderzoeksobject zijn de verhalen van de pedagogisch professional in het domein Kind en Educatie. Het onderzoek zal zich allereerst concentreren op de verhalen van aanstaande leraren in de bachelor en zal later uitgebreid worden naar de verhalen van de pedagogisch professional in associate degree en de verhalen uit de beroepspraktijk van leraren en schoolleiders die een masteropleiding volgen. Startpunt hierbij is de ordening van relevante aspecten van de problematisering in een samenhangend verhaal door de (aanstaande) leraar, waarbij het eigen handelen, voelen, denken, willen, ingebed zijn in een context van tijd en ruimte. Voor het zoeken naar een oplossing van het praktijkprobleem wordt gebruik gemaakt van objectief onderzoek. Hier is de beweging te zien van subjectieve reflectie naar objectief onderzoek, waarbij reflectie onlosmakelijk is verbonden met onderzoek. Alleen op deze wijze ontwikkelt zich de professionele identiteit van de reflecterende onderzoekende leraar die het beste uit de leerlingen kan halen.

Leden

De lector, dr. Ietje Pauw, geeft leiding aan docent-onderzoekers in de kenniskring, die elk hun eigen taak hebben. Daarnaast geeft de lector indirect leiding aan de studenten en leraren van de basisscholen die participeren in de verschillende opdrachten.

De onderzoeksgroep van het Kenniscentrum bestaat uit: Michelle Gemmink MSc, dr. Wenckje Jongstra, tevens director of studies MLI en dr, Marieke Pillen.

Daarnaast is er een kenniskring van het Kenniscentrum, waar behalve de onderzoeksgroep ook nog in participeren: dr. Petra Hendrikse van team rekenen-wiskunde, drs. Anneke Wösten, hogeschooldocent rekenen-wiskunde en bezig met de voorbereiding van de aanvraag voor een promotiebeurs, een lid namens de opleiding associate degree Pedagogisch Professional en een lid namens de masters en drie juniordocenten,.

Activiteiten

Voor zowel de onderzoekslijnen met de focus op het opleidingsonderwijs als op de beroepspraktijk wordt het werkplan in grote lijnen uiteengezet.

Werkplan t.b.v. onderzoekslijnen met de focus op het opleidingsonderwijs
2017 – 2020: Middels een zorgvuldig opgezette enquête cq. interview wordt in het eerste kwartaal van het studiejaar nagegaan hoe nieuwe studenten van de bachelor het beroep framen. De enquête vragen kunnen gebaseerd zijn op de ‘toelichting vooraf’ en de ‘inleiding’ van het boek Een leraar als geen ander. Ontwikkeling van professionele identiteit van leraren door verhalen. De resultaten kunnen besproken worden met directie en opleiders mede ter bepaling van het beleid ten aanzien van de beeldvorming van professionals in het domein Kind en Educatie. De enquête kan ieder volgend cursusjaar, dus in 2018, 2019, 2020, herhaald worden in het tweede c.q. derde of vierde jaar om te zien of er verschuivingen plaats vinden en zo ja, welke. In het vierde en laatste jaar van het lectoraat worden de resultaten geëvalueerd in een eindrapport met aanbevelingen.

Een parallelle enquête, zoals beschreven in 4.3.1 kan onder opleiders cq. teams gehouden worden van zowel bachelor, associate degree als masters om erachter te komen wat de beeldvorming bij opleiders is. De resultaten zouden kunnen leiden tot een meer uniform standpunt van KPZ ten aanzien van beroepsbeeld in relatie tot maatschappij en wereldbeeld.

Werkplan t.b.v. onderzoekslijnen met de focus op de beroepspraktijk
2018 – 2020: Middels een zorgvuldig opgezette enquête cq. interview wordt onder professionals in het domein Kind en Educatie die respectievelijk vijf, tien, vijftien en twintig jaar ervaring hebben in dit domein nagegaan hoe zij het beroep framen en of er sprake is van een ontwikkeling. De resultaten kunnen besproken worden met betrokkenen in dit domein, mede ter bepaling van het beleid ten aanzien van de beeldvorming van het beroep.